Het achtste Gravensteenmanifest: Analyse van de Formateursnota van Elio di Rupo

Deel 1: achtergronden bij de analyse van de nota

 

Over de Gravensteengroep
In het voorjaar van 2008 werd in Gent de Gravensteengroep opgericht. Het was de bedoeling om met een aantal mensen die elkaar via via kenden, samen na te denken over de impasse waarin de communautaire problematiek verzeild geraakt was. Een hoofdbekommernis was, ertoe bij te dragen dat een aantal rechtmatige Vlaamse eisen niet uitsluitend in de rechtse of extreemrechtse hoek gesitueerd werden, zoals bij de meerderheid van de Franstaligen, en stilaan ook bij een aantal Vlamingen het geval was.
De aanwezigen bevestigden hun gehechtheid aan de democratie en aan de mensenrechten. Zij stelden de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal en meer bepaald wezen ze alle vormen van racisme en xenofobie af. Op het sociaal-economische vlak namen ze afstand van het radicale neoliberalisme (type Von Hayek of Ayn Rand), ten voordele van een zinvol evenwicht tussen vrij initiatief, maatschappelijke controle en een actieve en activerende solidariteit met degenen die er behoefte aan hebben. Aan deze basisstellingen zijn de leden van de groep trouw gebleven.
Tot op heden vormt de Gravensteen groep een feitelijke vereniging, zonder voorzitter en zonder vaste woordvoerders. De manifesten kwamen tot stand na voorstellen van sneuvelteksten van de hand van de leden, waarover uiteindelijk een consensus werd bereikt. Hoewel velen onder hen zich politiek als 'links' beschouwen, zijn er anderen die zich iets meer in het 'centrum' situeren. Niemand hoeft zich daarover binnen de groep uit te spreken. Wel is men het erover eens dat geen actieve mandatarissen van een partij tot de werkende leden kunnen behoren. De standpunten worden met geen enkele politieke partij besproken of afgetoetst.
Het is van belang dit op te merken omdat momenteel de tendens bestaat om sommige Vlaamse eisen maar meteen aan de NVA of zelfs aan Bart De Wever toe te schrijven, hoewel de meeste ervan reeds vóór diens geboorte door mensen uit alle traditionele Vlaamse partijen werden verdedigd. De opinies van de Gravensteengroep over de uiteindelijke toekomst van Vlaanderen en Brussel zijn nog niet ten volle uitgewerkt. In strijd met wat sommigen van het begin af aan beweerden, is de splitsing van België voor de Gravensteengroep geen doel op zich. Tot driemaal toe werd in het eerste manifest herhaald: "met de Franstaligen als het kan, zonder hen als het moet". De bal ligt dus duidelijk in het andere kamp.
Vlamingen in het algemeen hebben in hun intermenselijke contacten omzeggens nooit blijk gegeven van vijandschap of zelfs negatieve houdingen tegenover Franstaligen. De meeste Vlamingen met een diploma secundair onderwijs, in het bijzonder zelfs degenen die zich 'flamingant' noemden, waren er juist trots op het Frans (zowel gesproken als geschreven) vlot te beheersen. Voor alle Vlamingen is het Frans in het onderwijs nog altijd de verplichte tweede taal. Omgekeerd is in Wallonië het Nederlands in het onderwijs nooit verplicht geweest.
Toch stellen sommigen het nu voor alsof de huidige problemen te maken hebben met haatgevoelens tussen Vlamingen en Walen en zelfs met een bekrompen, op zichzelf betrokken, mentaliteit bij de Vlamingen. Iedereen weet nochtans dat op het vlak van kennis van vreemde talen de Vlamingen doorgaans duidelijk voorliggen op de Franstalige Belgen. Aan voorbeelden van brede, internationaal-gerichte culturele belangstelling én sociale bewogenheid ontbreekt het in Vlaanderen zeker niet.
Deze traditie van vreedzaamheid en openheid wordt thans in diverse forums en andere internetmedia - en zelfs in de pers - in gevaar gebracht door sommigen die beledigingen en uitingen van haat rondstrooien. De Gravensteengroep veroordeelt nadrukkelijk het gebruik van beledigende termen of lasterlijke uitspraken, van welke kant die ook komen. In de analyse die we hier voorleggen, is kritiek overigens nooit persoonlijk bedoeld.

 

Billijke compromissen
Wij beseffen natuurlijk dat onderhandelingen tot een compromis moeten leiden. In wat volgt proberen wij een objectieve analyse te bieden van de Nota Di Rupo, vanuit de vraag in welke mate hier echt sprake kan zijn van een 'compromis'.
Laten we daarom eerst de vraag stellen wat een billijk compromis is. Wanneer een persoon of bedrijf A aan B een schade berokkent van 1 miljoen euro en men daarna akkoord gaat dat A een half miljoen terugbetaalt, dan is dat geen eerbaar compromis. Wanneer in Mexico de staat een gebied van 10.000 km2 van de inheemse bevolking inpalmt, en zich uiteindelijk met 5.000 km2 tevreden stelt, dan is dat geen eerbaar compromis. In beide gevallen kunnen de partijen zich wel neerleggen bij het akkoord, in de hoop hiermee een groter onheil te vermijden (denk bijvoorbeeld aan München, 30/9/1938), maar rechtvaardig is dat niet. Opdat een fiftyfifty verdeling ook nog eens billijk zou zijn, moet men aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen in min of meer gelijke mate beantwoorden.
We zullen aantonen dat de formateursnota Di Rupo niet alleen aan die billijkheidsvoorwaarde niet voldoet, maar dat ze zelfs de fiftyfifty op verre na niet bereikt.
In deze analyse komen vooral de problemen inzake Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) en Brussel aan bod, tegen de algemene achtergrond van de taal- en institutionele problematiek. Om de sociaal-economische voorstellen in de nota even nauwgezet te analyseren en te becijferen beschikt de Gravensteengroep nog niet over voldoende onderzoeksgegevens.
Het ontstellendste bij de eerste lectuur van deze nota bestaat erin dat de vertegenwoordigers van de betrokken partijen er na 430 dagen onderhandelen blijkbaar niet in geslaagd zijn elkaar duidelijk te maken waarover ze het ten gronde oneens zijn en hoe een toenadering eventueel toch mogelijk zou zijn. We weten niet wat de Franstaligen aan de Vlamingen gezegd hebben, maar uit de Nota Di Rupo volgt zonder enige twijfel dat onze onderhandelaars hem niet hebben kunnen uitleggen waar de grondslagen liggen van de Vlaamse grieven en eisen.

 

Wat voorafging
Wie niet uit de geschiedenis wil leren, is gedoemd die te herhalen. Daarom is het nuttig nog eens de geschiedenis van de communautaire en taalstrijd in België in herinnering te brengen. In de eerste helft van de 20ste eeuw waren de Vlaamse eisen vooral gericht op het ongedaan maken van het onrecht waaronder de meerderheid van de Vlaamse bevolking te lijden had, door toedoen van de Franstalige Belgische staatsstructuur en door de Franstalige burgerij en adel in Vlaanderen.
Een beslissende doorbraak in dat opzicht werd gerealiseerd door de veralgemening van het Nederlands als onderwijstaal in het secundair en hoger onderwijs, vanaf 1930. Dat deze hervorming tot stand kwam, was echter geen 'billijk compromis' in de hierboven beschreven betekenis. Het was een zaak van elementaire sociale rechtvaardigheid. Nu pas konden mensen uit alle lagen van de bevolking onderwijs krijgen in hun eigen taal, en kon een sociale mobiliteit tot stand komen. Dergelijke 'doorbraken' op Vlaams gebied kwamen er nooit vanzelf: gedurende lange tijd stuitten ze op weerstand vanwege het hele Franstalige Waals-Brusselse establishment. Dat gegeven lag, en ligt ten dele nog aan de grondslag van een zekere anti-Belgische rancune, die, spijtig genoeg, tijdens de Tweede Wereldoorlog tot ontsporingen heeft geleid. Daarnaast mag er hier aan herinnerd worden dat Waalse politieke leiders - hoe schoorvoetend ook - eerder dan Franstalig-Brusselse bereid waren het Nederlands in Vlaanderen een plaats te gunnen: vooral omdat zij toen in de afbakening van eentalige gebieden de enige manier zagen om te vermijden dat (ten gevolge van massale immigratie) het 'Vlaams' een voet aan de grond in Wallonië zou krijgen.
Gedurende vele decennia was het een traditie dat in de meeste nationale instellingen en parastatalen de belangrijkste communicatie doorgaans in het Frans verliep. Vanaf een zeker niveau kon het systeem slechts werken doordat Vlamingen Frans spraken. Franstaligen communiceerden uiterst zelden in het Nederlands. Dat was niet alleen vernederend (in een tweede taal is men bijna altijd de zwakkere); het was ook onrecht. Die situatie is verbeterd, maar ten dele bestaat ze nog. Maatregelen die tegen deze ongelijkheid ingaan zijn geen compromissen. Zij werken immers onduldbare wantoestanden weg. Aan deze Vlaamse verzuchtingen is via taalwetgeving tegemoet gekomen.
In verband met dehierna besprokenknelpunten is er echter van verbetering geensprake, vaak integendeel. Deze vormen dan ook het belangrijkste ingrediënt van het huidige Vlaamse 'ongenoegen', om een gematigde term te gebruiken. Deze thema's vormen de kern van het communautaire probleem.
Tijdens de voorbije 100 jaar zijn bijna dertig gemeenten die oorspronkelijk in meerderheid Nederlandstalig waren, in meerderheid Franstalig geworden (samen goed voor meer dan een miljoen inwoners). Dat vloeide voort uit twee factoren. Vooreerst is het Frans, vergeleken met het Nederlands, een 'dominante' taal (zoals het Engels dominant is tegenover het Frans); maar daarnaast vormden in België de Franstaligen een (politiek en economisch) dominante groep, die zijn taal opdrong aan de sociaal-economisch zwakkeren. Men moet niet de volledige werken van Marx bestudeerd hebben, om in te zien dat deze dominantie een karakteristiek voorbeeld was van sociaal onrecht. Een arbeider, een bediende, een ambachtsman, een knecht, werd tweemaal vernederd: een keer als ondergeschikte, en een keer als Vlaming. Als vrouw werd een meid zelfs driemaal vernederd. Het blijft een schandvlek op het Belgische socialisme dat het (in tegenstelling tot het daensisme) daarvoor geen oog heeft gehad. Vooral de Franstalige socialisten gaven op dit punt eerder de voorkeur aan het taalnationalisme dan aan het ware socialisme.

 

Wat nu gaande is
Een basisprobleem van vandaag bestaat erin dat dit type van verfransing, gebaseerd op deze dubbele dominantie, zich in Vlaams Brabant onverminderd verder zet. Zonder kordate maatregelen bestaat de kans dat over twintig jaar in nog eens een tiental gemeenten de taalmeerderheid eveneens zal omgeslagen zijn. Op het individueel menselijke vlak zullen opnieuw de zwakkeren zich aan de sterkeren moeten aanpassen. Nogal wat sociale woonwijken in de Rand lopen vol met Franstaligen die hoegenaamd niet tot hogere sociale categorieën behoren dan de 'zwakkere' Vlamingen, maar die wél vanuit de hoofdstad hun Franstalige pretentie en onwil tot aanpassing hebben meegebracht. Zelfs als nu ook een minder gegoede klasse van Franstaligen naar Vlaanderen uitwijkt, vormt zij slechts een probleem omdat zij het incivieke gedrag van de toplaag nabootst. Het gaat dus om de arrogantie van Franstalige inwijkelingen die aanpassing aan een Nederlandstalige omgeving gewoon aberrant achten. Daartegenover staat de Vlaamse bevolking van de Rand inderdaad zwak.
Op het vlak van het territorium is dat een expansie van bewoners van één gebiedsdeel van België ten nadele van het gebied van landgenoten, met wie ze volgens de patriottische mythologie geacht worden in vrede, samenwerking en solidariteit gemeenschap te vormen.
Overal ter wereld waar mensen zich in een ander taalgebied vestigden, hebben ze de taal ervan overgenomen. Zowel in Noord- als in Zuid-Amerika is dat op massale schaal gebeurd. Maar ook Russen, Polen, Roemenen, Italianen, Algerijnen en migranten uit Zwart Afrika, hebben dit in Frankrijk probleemloos gedaan. De Italianen en Polen in Vlaanderen en de Vlamingen en Italianen in Wallonië waren reeds vanaf de tweede generatie geïntegreerd.
De Brusselse bourgeoisie echter heeft eerst de 19 gemeenten verfranst en heeft dan, na de oorlog, dank zij haar politiek en economisch overwicht, 'de Zes' ingepalmd. En het volstond niet dat men deze ingeweken Franstaligen persoonlijke 'faciliteiten' verleende: vrij snel wilden deze mensen - tegen de Grondwet in - ook de grenzen van het gebied zelf verplaatsen. Om een uitspraak van Clausewitz te parafraseren, komt zoiets neer op de voortzetting van een expansie-oorlog met andere middelen. Geen enkele natie ter wereld zou zoiets dulden.
Het wettelijkvastleggen van de taalgrens was bedoeld om aan dit expansionistisch taalnationalisme een einde te stellen. Al te laat heeft men immers aan het woord van Lacordaire gedacht - de meest kernachtige uitdrukking van elk authentiek socialistisch mensbeeld: "Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c'est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit."
Maar ook deze wettelijke,in de Grondwet ingeschreven garantie heeft de Franstalige bourgeoisie niet tot het besef gebracht van wat burgerschap betekent. Ze vinden wel dat niet-Belgische 'allochtonen' zich moeten aanpassen aan de taal van de omgeving waar ze terecht komen; maar dat zoiets ook voor hen zou gelden, ontgaat hen helemaal. Uitgerekend om deze vastlegging van de taalgrens te bekomen, hadden de Vlamingen het bestaan van de faciliteiten in 'de Zes' aanvaard. Met deze toegeving zou in principe het taalgrensprobleem zijn opgelost. De meeste Franstaligen, en zelfs sommige highbrow Vlamingen, vinden nu dat het de Vlamingen zijn die telkens weer met nieuwe eisen voor de dag komen.

 

Brussel-Halle-Vilvoorde
Het basisprobleem inzake BHV bestaat erin, dat de wettelijke en grondwettelijke bescherming van de taalgrens in de feite onverminderd ontkracht wordt. Veel Franstaligen in 'Halle-Vilvoorde min de Zes' gedragen zich precies zoals hun voorgangers in de huidige faciliteitengemeenten.
Wat hebben de Vlamingen aan een taalwetgeving die in de praktijk geen effect sorteert? In de feiten zelf verliezen ze meer en meer terrein. Dit verlies is geen wet van Meden en Perzen: het is enkel het gevolg van incivisme, namelijk van het niet-eerbiedigen van de Grondwet en de taalwetten door de ingeweken Franstaligen. Dit incivieke gedrag staat in schrille tegenstelling tot de bereidheid die Vlamingen altijd al aan de dag hebben gelegd wanneer zij zich in Wallonië gingen of gaan vestigen.
De eis tot splitsing van BHV gaat dus geenszins om een futiel symbool. De bedoeling is aan deze feitelijke gebiedsuitbreiding van de francofonie, door een nieuwe wettelijke regeling een halt toe te roepen. Het gaat dus niet om expansiedrang: het komt erop aan de dijk te verhogen omdat het overstromingsgevaar groter geworden is.
Bij het beoordelen van de waarde van de voorstellen inzake BHV, geldt dus in principe één basisregel: geen schijntoegevingen van de kant van de Franstaligen. Een 'formele' splitsing die inhoudelijk geen garantie biedt op het behoud van de integriteit en de feitelijke eentaligheid van het grondgebied, heeft geen enkele zin. Daarom komen de wetsvoorstellen van Di Rupo neer op window dressing. Met alle compensaties voor de Franstaligen in BHV komt de splitsing van het kiesarrondissement BHV dus neer op een schijnsplitsing, een overgecompenseerde schijntoegeving van de Franstaligen.
Het is onnoemelijk jammer dat Waalse (en sommige Vlaamse) socialisten iets wat ze bij Italiaanse of Vlaamse arbeiders normaal vonden, niet van andere burgers in Kraainem of Linkebeek ('de Zes') of zelfs Lennik of Vilvoorde (HV min 'de Zes') willen eisen. Nochtans zal geen enkele Waalse werknemer één euro minder verdienen, als de Brusselse francofonie zich aan het wettelijke taalgebied zouden aanpassen.Moet België nu echt gesplitst worden door de schuld van dit expansionistisch taalnationalisme, gehuld in de schaapsvacht van de mensenrechten?

 

Stad en Hoofdstedelijk Gewest Brussel
Volgens de Grondwet zijn er drie eentaligegebieden (Vlaanderen, Wallonië, en de Duitstalige Gemeenschap) en één tweetalig gebied: Brussel-Hoofdstad. De tweetaligheid bestaat erin dat, in de regel, wie in openbare dienst werkt, tweetalig moeten zijn. Deze tweetaligheid wordt niet alleen vereist omdat er een percentage Vlamingen in Brussel woont, en een ander aanzienlijk percentage er komt werken, maar ook omdat Brussel de hoofdstadis van een land dat grotendeels uit twee taalgebieden bestaat.
Deze wettelijkeregeling werd nooit ten volle toegepast, maar heeft toch tenminste tot gevolg gehad dat, vergeleken bij 25 jaar geleden, de feitelijke tweetaligheid is toegenomen. Het spreekt echter vanzelf dat iedere versoepeling van die wettelijke regeling automatisch de motivatie om als tweede taal Nederlands te leren, zal aantasten. Een wijziging van het taalstatuut van Brussel in de richting van tweetaligheid van de dienst, en dus eentaligheid van de ambtenaren,vormt dus een aanval op een centrale doelstelling van allen die de tweetaligheid van de hoofdstad van België als een bron - dé bron ? - van pacificatie gezien hebben.
De regio Brussel-hoofdstad bestaat uit 19 gemeenten waarvan de grenzen volstrekt dysfunctioneel zijn geworden. Ze vormen evenzoveel obstakels voor een samenhangend beleid dat zich zou moeten richten op de noden van de bevolking. Zoals het nu is kan het Brussels Gewest de beschikbare middelen niet op een transparante manier beheren.
De Luikse hoogleraar François Perin stelde het al lang geleden (niet zonder enige ironie) als een belangrijke ontdekking voor: "Bruxelles est une ville". Hij bedoelde uiteraard wat wij nu 'Brussel-hoofdstad' noemen, namelijk de 19 gemeenten.
Wie zich afvraagt hoe men zo'n grote stad bestuurlijk moet inrichten, kan nu reeds beschikken over uitvoerige studies met betrekking tot andere grote steden in Europa. Een suggestie ten behoeve van onze Franstalige vrienden: een eenvoudige oplossing zou er in bestaan de Franse wetgeving inzake Parijs, Lyon en Marseille over te nemen. Daar bestaan wel arrondissementen, maar de taken daarvan zijn beperkt. Voor de financiële toestand van Brussel-hoofdstad zou het invoeren van één enkel gemeenschappelijk belastingsysteem trouwens niet alleen openheid, vereenvoudiging en besparing tot gevolg hebben, maar tevens een echte solidariteit tussen de rijkere en de armere wijken tot stand brengen. Het lijkt logisch en vanzelfsprekend dat vooral de socialistische en groene partijen zo'n reorganisatie zouden toejuichen; maar ook de meer rechtse partijen moeten het belang van een dergelijke organisatievorm inzien.
Op zich hebben deze vaststellingen, die essentieel te maken hebben met moderne urbanisatie en efficiëntie, niets met de communautaire problemen te maken, maar een eis tot supplementaire financiële steun vanuit Vlaanderen kan wel afhankelijk gemaakt worden van de wil en de aanzet om deze herstructureringen door te voeren. Anders bestaat de kans dat ze tot de Griekse kalenden worden uitgesteld.

 

Transfers
Tenslotte is er de vooral economisch bepaalde Waals-Vlaamse problematiek. Onder meer ten gevolge van de teleurgang van de Waalse steenkool- en staalindustrie heeft Wallonië nu een economische achterstand op Vlaanderen. Dat leidt op diverse gebieden tot transfers van aanzienlijke bedragen van Noord naar Zuid. Theoretisch zijn deze transfers gebaseerd op een legitieme solidariteit. Het is echter niet normaal dat in de praktijk de gevolgen van een bepaalde industriële achteruitgang onbeperkt zouden blijven duren. In de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen werd de omschakeling vanuit een zoveel omvangrijker kolen-en-staalsector rationeler, sneller en met meer succes tot stand gebracht.
In de formateursnota van Di Rupo wordt andermaal op vrij korte tijd een groot aantal banen in het vooruitzicht gesteld. Sommige politici zijn blijkbaar van mening dat een sociaal-economisch probleem als werkgelegenheid door beleidsbeslissingen beïnvloedbaar is. Omgekeerd volgt daar natuurlijk ook uit dat het uitblijven van vooruitgang op dat gebied, mede het gevolg is van het voordien gevolgde beleid. De achterstand van Wallonië en de blijvende transfers in diezelfde richting zijn dus geen fataliteit. Vlaanderen heeft inderdaad het voordeel van de havens, maar Wallonië heeft dan weer andere troeven, zoals veel goedkopere industrieterreinen, een vlottere uitbreiding van de luchtvaart zoals in Charleroi en Bierset, goedkopere mogelijkheden voor plaatsing van windturbines.
Kortom, de vraag of aanzienlijke transfers decennia lang in dezelfde richting moeten gaan, kan men niet beperken tot de problematiek van solidariteit alleen. Het in de diverse regio's gevoerde beleid speelt een essentiële rol. Derhalve mag men ervan uitgaan dat, wanneer men zou voorstellen de transfers binnen enkele decennia tot ongeveer een tiende van het huidige niveau te reduceren, niet de solidariteit in het geding is, maar eerder de vraag naar behoorlijk bestuur. (Nadien zouden de transfers ook principieel omkeerbaar moeten zijn). Ook zou een geleidelijke, procentuele vermindering vanaf een bepaalde periode een zinvol project kunnen zijn. Het inkomen van de individuen hoeft men daarbij niet eens af te bouwen: een terugstorting van een deel van de transfers kan door de regio als geheel gebeuren. Overigens zou men wegens de huidige crisis de periodes kunnen aanpassen. Tussen bevriende regio's zijn billijke compromissen hierover heel goed mogelijk.
Wel moet men het volgende beseffen. Een project tot staatshervorming dat geen melding maakt van de intentie tot het afbouwen van systematische eenrichtings-transfers, laat een reëel knelpunt buiten beschouwing. Ook een progressief responsabiliseren van de budgetten moet ter sprake kunnen komen, meer bepaald door een eigen fiscaliteit zonder federale bevoogding.
Tenslotte wil de Gravensteengroep er op wijzen dat het vanwege de Franstaligen bijzonder onverstandig is de sociale solidariteit telkens opnieuw in het gedrang te brengen door een manifest gebrek aan politieke solidariteit (zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de onwil om de grenzen van de Vlaamse deelstaat te respecteren).

 

Identiteit en publieke opinie
Bepaalde aspecten van de communautaire problematiek in België worden bemoeilijkt door evoluties inzake natievorming en identiteit, en door de mythes daaromtrent. In de media wordt wàt graag ingehakt op allerlei 'Vlaamse mythes'; maar men is er blijkbaar als de dood voor, ook Belgische mythes kritisch te bekijken. Toch dient de vraag gesteld: Bestaat er nog een Belgische natie?
Volgens de - zeer overtuigende - analyse van Benedict Anderson (Imagined Communities, 1983), wordt het natiebesef in een belangrijke mate bepaald door de aanwezigheid van gemeenschappelijke communicatiemiddelen. In de eerste plaats speelt de taal daarin een rol, maar daarnaast ook kranten, tijdschriften, radio- en TV, en momenteel ook het internet. In België zijn al deze media grotendeels exclusief ofwel Vlaams, ofwel Belgisch-francofoon. Tussen deze beide culturele groepen is er vrijwel geen overlapping meer. Niet alleen verandert daardoor onvermijdelijk het 'natie-gevoel', maar vooral zijn er twee openbare opinies ontstaan die bovendien geregeld in hun duidelijk verschillend stemgedrag tot uiting komen. Dat heeft als belangrijk gevolg dat de kans op ideologisch wisselende meerderheden - bijvoorbeeld een 'alternance' van rechts en links - op het federale vlak nagenoeg onbestaande is.
Een grotere politieke autonomie voor de deelstaten zou het welslagen of mislukken van een specifiek beleid, en dus vanzelf ook goed- of afkeuring ervan, en zodoende ook de beurtrollen in de regering, duidelijker laten spelen. Een grotere autonomie, met echte responsabilisering (via de fiscaliteit) is dus gewenst voor elke deelregering. Deze autonomie is in het belang van iedereen, zolang men met wederzijdse solidariteit, afgestemd op de werkelijke en objectiveerbare noden rekening houdt.
Elke zinvolle bespreking van de communautaire problemen moet dus rekening houden met deze afwezigheid van een gemeenschappelijke publieke opinie.

 

 

Klik hier voor de PDF-versie van het 8ste manifest.