Bedenking bij de Vlaamse feestdag (Jan Verheyen)

Bedenking bij de Vlaamse feestdag (Jan Verheyen)

Meestal zijn we gewoon blij met feestdagen, omdat we ze associëren met een vakantiedag. Niet zelden hebben we geen idee wélke feestdag het is, laat staan waar die voor staat. 11 november, Wapenstilstand, daar kunnen we ons nog iets bij voorstellen, maar 15 augustus ? Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Hemelopneming ? Daar is op YouTube of Instagram niets van te vinden, dus bestaat het eigenlijk zelfs niet. 11 juli is dus onze feestdag, de Vlaamse feestdag, we vieren dan een overwinning uit ons verleden, uit 1302 om precies te zijn, een slag aan de Groeningekouter die de geschiedenis is ingegaan als de Guldensporenslag. Historici hebben ondertussen enige nuances aangebracht – historici zijn, dat weet u, notoire party-poopers – met name dat die slag in essentie een feodaal geschil was dat de Vlaamse beweging zich in de loop van de geschiedenis heeft toegeëigend. Het is dus veeleer een symbool, en dat is goed, daar is niks mis mee.

Dat laat ons toe om even stil te staan bij wie we zijn, wat dat is, die Vlaamse gemeenschap, wat zo’n gemeenschap nog voorstelt, nog kan voorstellen, in een geglobaliseerde, snel veranderende wereld. Het staat ons toe na te denken welke rol we kunnen, moeten, mogen spelen in die wereld. Het is, vind ik, maar dat is natuurlijk persoonlijk, ook veeleer een gelegenheid om vooruit te kijken, eerder dan zich te wentelen in een verleden dat toch nooit meer terugkomt en een heden dat morgen al een verleden zal zijn. 1302, waarde genodigden, is lang geleden, héél erg lang geleden. Een groot deel van de strijd is gestreden, Vlaanderen is een op alle vlakken welvarende regio, onze voorvaders en vaders hebben zich bevrijd van hun diverse jukken. We zijn al heel lang geen tweederangsburgers meer in eigen land, we nemen niet meer onderdanig de pet af voor meneer de baron, meneer de notaris of meneer pastoor, we kijken niet meer naar Nederland of Frankrijk als cultureel baken, we hebben een rijke, levendige, van zelfvertrouwen blakende kunstensector. Tuymans, Fabre, De Bruyckere, Borremans halen recordprijzen op veilingen en hangen in gerenommeerde musea, de Vlaamse film heeft aansluiting gevonden met zijn publiek en is zelfs een kwaliteitsmerk geworden, in kelders van jeugdhuizen en lege garages wordt gerepeteerd door de dEUS-sen en Stan Van Samangs van morgen en, misschien wel meest opvallend want met de grootste onmiddellijke impact, zowel onze openbare als commerciële omroepen maken kwalitatief hoogstaande programma’s, niet in het minst qua fictie, die ons door veel grotere landen en taalgemeenschappen worden benijd. Wat dat betreft durf ik u zeggen : we boksen trots en zelfzeker boven ons gewicht, we spelen een paar divisies te hoog, ja, we leven boven onze stand.


Het is dus misschien tijd geworden om afscheid en afstand te nemen van het fameuze kaakslagflamingantisme, de helaas een beetje typische Vlaamse Calimero-houding, waarbij we ons net iets te graag wentelen in de rol van de tekortgedane, de verongelijkte, de onderdrukte. Het is namelijk daardoor dat we door een deel van de media en de intelligentsia nog steeds kunnen worden weggezet als kneuterige angsthaasjes, bang van alles en iedereen.


Dat is niet het Vlaanderen dat we willen zijn, dat is niet de Vlaming die we willen zijn, en dat is alleszins geen correcte weerspiegeling van het Vlaanderen en de Vlamingen die ik dagelijks zie.


Dat neemt natuurlijk niet weg dat we kritisch en alert moeten blijven, niet in het minst voor onze verkozenen des volks. Want ik kan, met u, helaas voorlopig alleen maar vaststellen dat de fameuze ‘kracht van verandering’, die at best al niet veel meer was dan een poging om de aberraties uit het verleden enigszins recht te trekken, onzacht is gebotst met de nog veel grotere kracht van de malafide, moedwillige inertie. Het meest zichtbare, het meest pijnlijke symbool hiervan is onze openbare vervoersmaatschappij, de NMBS, zo onderhand de meest gehate overheidsinstelling in wat toch een moordende competitie is. De lijst verantwoordelijken voor de huidige malaise bij de NMBS is lang, en niet zozeer te zoeken bij een significante minderheid er-de-kantjes-aflopende potverteerders in eigen rangen, dan wel bij, helaas en jawel, de politiek. Het zijn immers de vertegenwoordigers van zowat alle politieke families die in de loop der jaren de NMBS hebben mismeesterd door, niet gehinderd door budgettair realisme laat staan enige langetermijnvisie, de sociale vrede af te kopen door het opvrijen en letterlijk subsidiëren van de vakbonden (wat zo ongeveer hetzelfde is als het eigenhandig installeren van een virus op je computer), of het te gebruiken als een vehikel om overbetaalde en bepaald niet op competentie geselecteerde apparatsjiks te benoemen op overbodige, desnoods nieuw te creëren posten. De socialisten kan je dat niet eens kwalijk nemen ; het (wan)beheren van logge staatsbedrijven, bij voorkeur met Kameraden op strategische posten, is in hun geval een ideologische keuze. In die zin valt ook de spoorbonden weinig te verwijten, tenzij een extreme vorm van egoïsme en kortzichtigheid : zij kunnen zich inderdaad beroepen op ‘gemaakte afspraken’, ook al zijn die dan gemaakt door incompetente, malafide dan wel naïeve politici op kosten van de gemeenschap. Maar de vakbonden werken niet voor de gemeenschap, dat is onderhand wel pijnlijk duidelijk. Après nous le déluge, dàt is tegenwoordig meer hun motto. De taart is bijna op, maar aan rantsoeneren doen we niet, we schrokken het laatste stuk hier en nu naar binnen.


Verder hebben we ook kunnen vaststellen dat we niet geregeerd worden door krachtdadige, visionaire staatsmannen, maar door een bende angsthazerige pussies die het dun door de broek loopt bij elke confrontatie met een al dan niet door een vakbond vertegenwoordigde Boze Burger. Meest pijnlijke voorbeeld in deze categorie : de schier eindeloze martelgang van justitieminister Koen Geens in zijn onderhandelingen met de (Waalse en Brusselse) cipiers over hun politieke staking. Koen Geens heeft de reputatie een aimabel, pragmatisch en beschaafd man te zijn, eigenschappen die ongetwijfeld zeer geapprecieerd worden op de receptie na een fijn optreden van een middeleeuws strijkkwartet in Bozart, maar die eerder handicaps lijken als je beroepshalve moet omgaan met het tuig van de richel dat in het zuiden van het land per toeval aan de verkeerde deur van de gevangeniscel is beland. Zelfs de Vlaamse vakbonden lieten optekenen dat Geens “niet alleen een vinger, maar een hele hand en uiteindelijk zijn hele arm” had gegeven, terwijl qua lichaamsdelen een opgestoken middenvinger al dan niet in combinatie met een ontblote reet in deze veel toepasselijker ware geweest. Door het steeds weer toegeven aan eisen, hoe obviously absurd ook, geef je immers alleen maar zuurstof aan al die andere vakbonden, drukkingsgroepen, actiecomités en verzuurde egoïsten die allemaal zijn aangepraat dat vooral hùn beroep ondraaglijk zwaar is.


Dat is niet regeren, dat is ontwijken, ter plaatse trappelen, aarzelen, dat is het tegenovergestelde van ‘de kracht van verandering’.


Overigens : België is geen failed state zoals Soedan of Jemen of de gemiddelde Afrikaanse kleptocratie. Maar het is wel een stilstaand land. Letterlijk zelfs, want op het departement Mobiliteit is, zo heb ik het gevoel, de voornaamste activiteit het bijhouden van statistieken die aantonen hoeveel erger het elk jaar wordt.


Opvallend bij die grote stakingsgolven, we kunnen er moeilijk omheen, was hoe het enthousiasme spectaculair verschilde tussen het noorden en het zuiden van het land. Daardoor dreigde het communautaire spook, dat in het regeerakkoord door een forse geut Rohypnol niet zozeer in slaap was gewiegd dan wel in een diepe coma verzonken, weer te ontwaken, maar daar had niemand echt zin in. Begrijpelijk dat in de gegeven omstandigheden – het zijn moeilijke tijden – niemand van de coalitiepartners al te openlijk concludeerde dat dit land nog steeds uit twee heel aparte democratieën bestaat, maar ik neem aan wel opgeslagen for future reference.


Hoe dan ook, we kunnen alleen maar hopen dat de leden van deze regering die nog niet murw in de touwen hangen alsnog bereid zijn een tandje bij te steken, hun verantwoordelijkheid te nemen, en de dingen te doen vooruitgaan, het algemeen belang eindelijk voorrang te geven aan de ongeziene golf van grenzeloos egoïsme die door de straten marcheert – dan ook nog onder de vlag van ‘solidariteit’, werkelijk de schaamte voorbij. En misschien, héél misschien zijn er bij de vakbonden, ondanks het voorlopig overweldigende bewijs van het tegendeel, wél verstandige, pragmatische, vooruitziende mensen die begrijpen dat je de huidige aberraties, ongeacht door welke idioot ze ooit op papier zijn gezet, niet verdedigbaar zijn. Tenzij je natuurlijk ‘solidariteit’, een woord dat meer verkracht en bepoteld is dan Duitse vrouwen op nieuwjaarsnacht in Keulen, interpreteert als een vorm van kortzichtige zelfbediening, eerder dan als een noodzakelijke wissel op de toekomst.


Anderzijds, moet ik u toegeven, heb ik ook wel een beetje te doen met onze politici. Wat nog niet zo eens zo gek lang geleden een job met aanzien was, is de dag van vandaag voornamelijk aanleiding tot schimpscheuten, onverholen afkeer en een dagelijkse, niet aflatende stroom van ongenuanceerde, doorgaans in slecht Nederlands geformuleerde scheldpartijen op het internet, de open riool die rechtstreeks in verbinding staat met de onderbuik van de burgers.


Ik kan me probleemloos voorstellen dat veel van onze politici stiekem opgelucht waren na de smadelijke nederlaag van België tegen Wales, omdat ze wisten dat de karren met stront en mest die zij doorgaans over zich uitgekieperd krijgen, nu tijdelijk werden omgeleid naar Marc Wilmots.


Tot slot kunnen we, vrees ik, vandaag ook moeilijk heen om de Brexit omdat de discussie over ‘meer of minder Europa’ en de rol van de natiestaten en regio’s daarin, ook Vlaanderen uiteraard niet onberoerd laat. Wat me, los van de inhoudelijke debatten, heel erg opviel was de teleurstelling van een groot deel van de politieke klasse, een teleurstelling die snel irritatie en woede werd en zich zowaar vertaalde in openlijke schimpscheuten naar de Engelse kiezer, althans zij die voor de Brexit hadden gestemd. Halve zolen waren het, getatoeëerde neanderthalers die door opportunistische populisten op sleeptouw waren genomen en geen idee hadden waar ze eigenlijk voor stemden. De Zweedse ambassadeur in Engeland, ene Nicola Clause vergeleek de Brexit-kiezers en plein public met balorige kleuters die in hun broek plassen. “At first there’s a feeling of relief and for a few moments it’s nice and warm. Then it’s just cold and wet”. Dat is dus het beeld dat de politieke elite heeft van de kiezer : een klein kind dat ‘nee’ zegt en in zijn broek pist. Op den duur werd zelfs luidop en sans gêne het democratische principe van het referendum in vraag gesteld. “Misschien is democratie wel te belangrijk om aan de kiezers over te laten ?”.


Voor alle duidelijkheid : persoonlijk vind ik ook dat de Britten een vergissing hebben gemaakt, dat de grote vraagstukken van onze tijd – vluchtelingen, klimaat, fiscaliteit enz. – alleen kunnen worden aangepakt op een Europese schaal, like it or not. Maar ik vind daarom niet dat de mensen die daar anders over denken, en die objectief gezien, laten we wel wezen, best wel wat valabele redenen hebben om aan het functioneren van Europa te twijfelen, moeten worden weggezet als dwaas, manipuleerbaar kiesvee. Ze hebben, op z’n minst, Europa een niet onterechte wake-up call gegeven, en verdienen beter dan dédain en ordinair gescheld.


Democratie is immers absoluut. Het is niet de democratie die ten dienste staat van de tijdelijk verkozenen, maar omgekeerd. Je kan niet alleen voor democratie zijn, als je dat goed uitkomt. Idem voor verdraagzaamheid en vrijheid van meningsuiting en de gelijkheid tussen man en vrouw en de andere, duur bevochten waarden van de Verlichting. Ook die zijn absoluut, ook al betekent dat dat ook klootzakken recht van spreken hebben, dat je verdraagzaam moet zijn ook voor wie het niét met jou eens is, en dat religie – welke religie dan ook – ondergeschikt is aan democratisch gestemde wetten.


Laat dat dan misschien de opdracht zijn voor ons, Vlamingen. Dat we waken over die waarden, niet alleen bij ons, maar in Europa. Dat we duidelijk maken aan nieuwkomers dat ze welkom zijn maar dat wie lid wil worden van een club, de regels van die club moet aanvaarden. En ondertussen moeten we als kleine regio, als kleine taal –en cultuurgemeenschap blijven zoeken naar onze plaats in een veilig, verenigd Europa, niet vanuit angst en onzekerheid, maar met luide en zelfzekere stem, gesterkt door wie we zijn en waarvoor we bewezen hebben te staan : een creatieve, welvarende regio van zelfbewuste wereldburgers.


Ik dank u voor uw aandacht en ik wens u allen een fijne Vlaamse feestdag

 

 

Share this
delen