Het achtste Gravensteenmanifest: Analyse van de Formateursnota van Elio di Rupo

Deel 2: BHV à la Di Rupo: woekerprijs voor schijnsplitsing. 


23 nadelen voor Vlaanderen, één nadeel voor Franstalig België

Het Belgische communautaire geschil heeft nood aan een neutrale benadering, gebaseerd op evenwicht en wederkerigheid, die de noodzakelijke basis vormen voor echte onderhandelingen. Volgens de Gravensteengroep moet dit universeel principe in de Belgische context vertaald worden in een toegepaste stelregel, die luidt dat de Vlamingen geen enkele eis stellen met betrekking tot Vlamingen die zich in Wallonië gevestigd hebben; en dat omgekeerd de Franstaligen geen enkele eis stellen met betrekking tot Franstaligen die zich in Vlaanderen hebben gevestigd. Alleen deze evenwichts-stelregel garandeert dat beide partijen ooit nog tot een eerbaar compromis komen.

De formateursnota van Elio di Rupo houdt met dit evenwichtsprincipe helemaal geen rekening. In deze tekst brengen we een detailanalyse van de nota wat betreft Brussel-Halle-Vilvoorde en de taalwetgeving in Brussel zelf. Met één sterretje (*)hebben we de toegevingen van of ten nadele van de Vlamingen aangeduid; twee sterretjes (**) betekent: voorstellen ten nadele van de Franstaligen, en drie sterretjes (***) voorstellen ten voordele van de Franstaligen. We gaan ervan uit dat een "evenwichtig" compromis weerspiegeld zal worden in een evenwicht van voor- en nadelen voor beide partijen. Hoe meer inwisseling of inruil, hoe eerbaarder het compromis.

 

De Zes (Wemmel, Kraainem, Wezembeek-Oppem, Sint-Genesius-Rode, Linkebeek, en Drogenbos)
In de nota vormen deze faciliteitengemeenten een nieuwsoortig kieskanton. De keuze voor Sint-Genesius-Rode als hoofdplaats lijkt een voorafname op de fameuze corridor (*) van Brussel naar Wallonië waarmee de Franstaligen een geografisch aaneengesloten Wallo-Brux (*) willen creëren. Rode moet dan als zo'n corridor dienst doen. Het nieuwe kieskanton dreigt dan ook op andere bestuursniveaus een eigen bestaan (*) te gaan leiden - met voorspelbare gevolgen bij een mogelijke splitsing van België (zie hieronder).

In de faciliteitengemeenten kunnen de kiezers stemmen zowel voor de gemeente waar ze wonen als voor Brussel, waar ze niet wonen (*). Wat betreft hun contacten met de plaatselijke administratie hoeven ze slechts om de zes jaar hun keuze voor het Frans kenbaar te maken; die keuze is dan nog eens automatisch hernieuwbaar (*). Om dit administratief te kunnen beheren zal men lijsten van Franstaligen moeten opstellen, wat in feite zal neerkomen op een verkapte talentelling (*) en zelfs op de toekenning van een subnationaliteit (ontzegd aan de Vlamingen in Brussel). Daarmee wordt in elk geval de ministeriële omzendbrief van Leo Peeters afgeschaft, en tegelijk ook de voogdij van Vlaanderen uitgehold. Niets noopt deze Belgische Franstaligen er nog toe zich te integreren in het landsdeel waar ze zijn komen wonen (iets wat van migranten afkomstig uit het buitenland wel degelijk wordt gevraagd).

De gerechtelijke behandeling van mogelijke betwistingen (nog altijd volgens de formateursnota van Di Rupo) gaat in dezelfde richting. Zo mogen de inwoners van de Zes voor Franstalige rechtbanken kiezen, maar bij betwisting beslist een tweetalige kamer van Cassatie. Zo'n beslissing wordt dus onttrokken aan het Vlaams gezag (*). Hetzelfde doet zich voor bij administratieve betwistingen, waar men verhaal kan halen bij het (tweetalige) Grondwettelijk Hof (*). Ook de uiteindelijke beslissing aangaande de benoeming van burgemeesters die de taalwet niet naleven wordt aan het Vlaamse gezag onttrokken (*), ten voordele van ditzelfde Grondwettelijk Hof.

Tegenover deze handelwijze staan theoretische en praktische bezwaren. Vooreerst impliceren deze maatregelen een intentieproces tegenover rechtbanken die uitsluitend uit Vlamingen bestaan. Dat vormt een bedenkelijk precedent in verband met het vermoeden van onpartijdigheid van Vlaamse rechtbanken (*). Vervolgens creëert het afwentelen van essentieel politieke kwesties op rechtbanken (bijvoorbeeld in verband met de administratie en de burgemeesters) meer problemen dan het oplost. Wat bijvoorbeeld indien de tweetalige kamers niet tot een akkoord komen? Tast dit de betrouwbaarheid van de justitie niet aan? En als men het vermoeden van onpartijdigheid toch negeert, moet het Grondwettelijk Hof dan niet met 'bijzondere meerderheden beslissen? En wat als er ook dan geen oplossing komt? Wordt Vlaanderen dan telkens buiten spel gezet? Bestaat er een equivalent voor zulke betwistingen buiten Vlaanderen (*)?

 

Plan B
Kortom, dit kanton krijgt een ander statuut dan de andere Vlaamse kies- en bestuursomschrijvingen (*). Het is duidelijk dat hier de gedachte aan het 'plan B' een rol speelt. In tegenstelling tot de meeste Vlaamse zijn veel Franstalige politici van mening dat een opdeling van het land heel waarschijnlijk is (de permanente minorisering van de Vlaamse bevolking is namelijk niet houdbaar). Vandaar dat ze al een tijd bezig zijn met het 'plan B'. Het losweken van de Zes uit Vlaanderen moet ook in dit kader worden gezien. Bij een eventuele opdeling van België zal men normaal voor het vastleggen van de nieuwe grenzen een beroep doen op het "uti possidetis" principe: de binnengrenzen van de regio's of deelstaten worden in geval van scheiding ook de nieuwe landsgrenzen. Bij internationale arbitrage zou dan een referendum voor de Zes als geheel worden voorgesteld. De Franstaligen verwachten dat deze gemeenten dan voor Brussel zouden kiezen (*). Daarbij wordt de nieuwe regeling in de Grondwet ingeschreven ('vergrendeld'). Ze kan dus bezwaarlijk nog van latere akkoorden deel uitmaken (*).

Samenvattend: deze regeling wat betreft de faciliteitengemeenten bevat tenminste veertien voorstellen die als Vlaamse toegevingen of nadelen kunnen gelden. Er is geen enkel Vlaams voordeel bij. De Franstaligen van de Zes lijden op taalgebied dan weer geen enkel nadeel: op alle andere gebieden genieten ze trouwens van het voordeel bij Vlaanderen te mogen horen (***).

 

Halle-Vilvoorde, zonder Brussel en zonder de Zes
Is de verhouding tussen voor- en nadelen voor beide partijen dan gunstiger in Halle-Vilvoorde zonder de Zes? Valt de splitsing van BHV daar dan wel gunstiger uit voor de Vlamingen, die hier tenslotte vragende partij waren? Wel, aan deze ene verzuchting van de Vlamingen is inderdaad voldaan: de Franstaligen kunnen niet meer rechtstreeks kiezen voor Brusselse Franstalige lijsten (**) (maar uiteraard nog wel voor Franstalige lijsten die in Vlaanderen wensen op te komen, zoals de Union Francofone). Een zeer eigenaardige splitsing van het gerechtelijke BHV doet deze regeling echter teniet. De parketten worden namelijk verticaal gesplitst, de rechtbanken horizontaal. Dat wil zeggen dat heel veel magistraten niet meer tweetalig hoeven te zijn (*** en *). Voor het overige zijn de effecten dezelfde als bij de Zes: de burgers van HV kunnen kiezen voor Franstalige rechtbanken (***); bij betwisting beslist de dubbele Kamer van Cassatie (***) en wordt de zaak dus aan de Vlaamse bevoegdheid onttrokken (*); en ook hier bestaat het risico dat bij toepassing van plan B, het Vlaamse Halle-Vilvoorde niet meer als "uti possidetis" wordt beschouwd (*). Deze voorstellen bevatten dus één punt dat nadelig is voor de Franstaligen (**), drie punten die voordelig zijn voor de Franstaligen (***) en drie punten die nadelig zijn voor de Vlamingen (*).

 

Oplopende kosten voor de splitsing van BHV: communautaire wetgeving in Brussel

  1. Di Rupo wil blijkbaar de tweetaligheid van de ambtenaren vervangen door de tweetaligheid van de diensten. Dat betekent dat de Nols-loketten van Schaarbeek, die zelfs door Franstaligen als fanatisme werden beschouwd, nu algemene regel kunnen worden. Bovendien verdwijnt eens te meer een sterke motivering om tweetalig te worden. Dit komt neer op het prijsgeven van één van de belangrijkste realisaties van de Vlaamse Beweging (*). 
  2. Het verbod op tweetalige kieslijsten te Brussel wordt afgeschaft. Dat betekent dat bijvoorbeeld Maingain zal kunnen bepalen welke 'Vlamingen' op een verkiesbare plaats op zijn lijst komen en dus de wettelijk noodzakelijke Vlaamse verkozenen kunnen leveren (*). 
  3. Het beheer over de op- en afritten van de Ring (op Vlaams grondgebied) wordt gedeeld door de drie regio's, wat een inbreuk vormt op het territorialiteitsbeginsel en dus op de integriteit van het Vlaams Gewest (*).
  4. De oprichting van een 'grootstedelijke gemeenschap', waartoe ook gemeenten kunnen toetreden, is een verdere aantasting van dit territorialiteitsbeginsel (*).
  5. Zonder enige garantie op controle en zonder enige voorwaarde betreffende de afbouw van de 19 gemeenten wordt aan het Brussels gewest 461 miljoen EUR per jaar toegeschoven. Uit de verwijzing naar de vergoeding voor de 'pendelaars' volgt dat Vlaanderen het grootste deel zal moeten bijdragen (*).

Dit 'compromis' bevat vijf toegevingen van de Vlamingen (*) en geen enkele gegarandeerde toegeving van de Franstaligen.

 

Conclusie inzake de voorgestelde splitsing van BHV

Van een splitsing van BHV is hier helemaal geen sprake. De Zes worden nagenoeg volledig uit BHV (en gedeeltelijk uit Vlaanderen) gelicht, met het oog op substantieel voordeel en geen enkel nadeel voor de Franstaligen. De Vlamingen verwerven hierbij geen enkel voordeel. Voor de Franstaligen uit 'HV zonder de Zes' is het enige nadeel dat ze niet meer rechtstreeks voor Brusselse lijsten kunnen kiezen. Dat heeft ook een belangrijk nadeel voor de Vlamingen tot gevolg: de kans dat ze in Brussel geen zetel meer halen. Maar dat was de toegeving die de Vlamingen oorspronkelijk voor het compromis over hadden. Alle andere toegevingen zijn er later aan toegevoegd, en vormen nu het voorwerp van onderhandelingen.

Wat betreft de rechtsbedeling behouden de Franstaligen van HV hun volledige rechten. Het belangrijkste aspect waarvoor de splitsing van het gerechtelijk arrondissement voor Vlaanderen zin had, was precies het verdwijnen van die voorkeursbehandeling, die de Vlamingen in Wallonië trouwens evenmin genieten.

Het doel van de splitsing van BHV bestond erin, wettelijk vast te leggen dat het Vlaamse territorium ook volwaardig Vlaams is, en dat de Franstaligen zich in alle opzichten moeten inburgeren, precies zoals de Vlamingen in Wallonië en ook mensen van allochtone afkomst dat in heel België; moeten doen. Zolang Franstaligen deze supplementaire zogenaamd "Belgische" rechten hebben, leidt dit onvermijdelijk tot de verdere expansie van de francofonie en dan is de zogenaamde 'splitsing' van BHV niet alleen een zinloze, maar ook voor Vlaanderen nefaste onderneming. Het is onbegrijpelijk dat er Vlaamse partijen zijn die niet beseffen dat het eindresultaat hiervan op termijn niet de splitsing van BHV, maar de verfransing van Halle-Vilvoorde is.

In al deze voorstellen kunnen we met de beste wil van de wereld slechts één nadeel voor de Franstaligen ontdekken, namelijk het verlies van het rechtstreeks stemrecht voor Brussels-Francofone lijsten (**), niet in Halle-Vilvoorde, maar alleen in 'HV min de Zes'. Daarnaast zijn er minstens 23 tot 26 voorstellen nadelig voor de Vlamingen (*). Sommige daarvan, zoals de voorstellen inzake Brussel, vormen een afbouw van essentiële wettelijke verworvenheden die, onder meer via een uitbreiding van de tweetaligheid, een bijdrage konden leveren voor het voorbestaan van dit land als federatie of als confederatie. Twee andere voor de Vlamingen nadelige voorstellen, de federale kieskring* en de goedkeuring van het minderhedenverdrag*, bespreken we hieronder. Het gaat dus inderdaad niet om een "naakte" splitsing. Het gaat om een ongehoorde wanverhouding. Van het boven vermelde evenwichtsprincipe is overduidelijk geen sprake meer. Evenmin is er hier sprake van gelijkwaardige partijen. Deze wanverhouding hebben we te danken aan de opeenvolgende compromitteringen van bestaande compromissen in de nota's van De Wever, Vande Lanotte, Beke en Di Rupo.

Het onveranderd laten van de huidige situatie inzake BHV is dan ook mateloos veel gunstiger voor Vlaanderen dan het voorstel Di Rupo. BHV kan met een eenvoudige parlementaire meerderheid gesplitst worden. De Vlaamse onderhandelaars zouden deze gesprekken dus beter afbreken en rustig afwachten tot de Franstaligen iets voor Brussel of Wallonië nodig hebben.

Extra oplopende kosten: Federale Kieskring* en Minderhedenverdrag* (voorgesteld in de formateursnota van Di Rupo)

 

Federale Kieskring
In een ideale federale staat kan een dergelijke kieskring voordelen bieden - ofschoon er op de hele wereld nauwelijks voorbeelden van te vinden zijn. In de Belgische situatie echter lijkt zo'n constructie om diverse redenen onhaalbaar. Waarom niet?

  • Deze kieskring gaat in tegen het territorialiteitsbeginsel omdat men voor een aantal parlementairen (waarom tien en bijvoorbeeld niet de helft of twee derden?) doet alsof de territoria niet bestaan;
  • Men doet alsof het land niet gescheiden is in twee (drie) totaal uiteenlopende openbare opinies: dat is het licht van de zon loochenen;
  • Daaruit volgt dat slechts een miniem aantal politici van de ene gemeenschap bekend zijn bij de andere. In Francofonië kent men als Vlamingen van de oude generatie Decroo en Dehaene, Verhofstadt en Van Rompuy; van de nieuwere Leterme, De Wever, en Vande Lanotte. Omgekeerd kent men in Vlaanderen Di Rupo, Milquet, Reynders, Michel en Maingain. Dat betekent dat de verkiezingen nog meer gepersonaliseerd worden en dat de nadruk op partijprogramma's nog verder afzwakt;
  • Als formule om de institutionele problemen 'constructiever' (lees: met een grotere compromisbereidheid) aan te pakken, belooft deze techniek weinig goeds. Zullen de Vlamingen die stemmen willen halen in Wallonië in plaats van 23 toegevingen tegen één, er nog enkele aan toevoegen? Wij zien niet in welke; tenzij men terug wil gaan tot la Belgique à papa;
  • Uit voorgaande volgt ook dat de redacties van de tv-omroepen een beslissende rol kunnen spelen in de uitslag van die verkiezingen omdat in essentie alleen de personen die ze op de tv uitnodigen een bekendheid kunnen verwerven in de andere gemeenschap;
  • Er zijn vermoedelijk maar twee personen die voordeel kunnen halen uit dit systeem: ten eerste Maingain, die dan opnieuw zijn francofone aanhang in Vlaanderen kan mobiliseren; en ten tweede Bart De Wever, als die handig kan inspelen op zijn meer 'rechtse' thema's (zoals verdediging van de middenklasse en een strenge aanpak van de asielproblematiek). Kortom, alles laat vermoeden dat deze formule niet of nauwelijks zal bijdragen tot de pacificatie waarvoor ze volgens haar verdedigers bedoeld is.
  • Het aantal stemmen dat de topfiguren in de andere landsdelen zullen krijgen, zal te verwaarlozen zijn tegenover die in het eigen gebied. Zal men het riskeren een groot deel van de eigen achterban te verliezen om een klein deeltje aan de overkant te winnen?
  • Door het aantal zetels dat aan Nederlandstalige, resp. Franstalige kandidaten zal worden toegekend (voorstel is: 6 NL, 4 F) bij voorbaat vast te leggen, doet het voorstel eigenlijk zijn eigen bedoeling teniet: standpunten pro of contra meer 'Belgische eenheid' kunnen slechts een uiterst beperkt electoraal effect hebben. En voor betekenisvolle verschuivingen (via een niet-vooraf bepaalde zetelverdeling) schrikt men blijkbaar terug. In combinatie met voorgaande bedenking is het dan ook zeer de vraag of deze formule een nieuwe 'Belgische' politieke klasse zal doen ontstaan.

Kortom, het gaat, ook volgens het oordeel van prominente politici met ervaring, om een vrij irrelevant experiment. Er bestaat daarvoor ook geen enkel model in het buitenland, omdat de twee totaal verschillende openbare opinies nergens een equivalent hebben.

 

Minderhedenverdrag
De goedkeuring van het zogenaamde Minderhedenverdrag, zonder een amendering die een onderscheid maakt tussen authentieke historische minderheden, en minderheden door inwijking, kan aan Franstaligen over heel Vlaanderen rechten verlenen die het eentalig karakter van Vlaanderen aantasten en dus een wezenlijk aspect van de Vlaamse emancipatie ongedaan maken. Dit is meer dan een regelrechte provocatie. Het is niet meer of minder dan een maneuver om de Franstaligen toe te laten een schijnbaar grote, maar in werkelijkheid schijn-toegeving te doen. Het maneuver is echter zó doorzichtig dat het haast bespottelijk wordt; de Vlaamse onderhandelaars hebben dan ook alle reden om zich beledigd te voelen omdat men hen zo grenzeloos naïef of onwetend acht.
Men zou zich inderdaad vrolijk kunnen maken over het feit dat in de Nederlandse versie van de Nota-di Rupo het ratificeren van dit verdrag 'nuttig' wordt genoemd, maar in de Franse versie 'noodzakelijk'. Of over het feit dat Frankrijk - lichtend voorbeeld toch voor vele Franstalige Belgen - dat verdrag nog niet eens heeft goedgekeurd, laat staan geratificeerd.
In alle ernst gaat het hier evenwel om een kwestie waarin het overleven van België op het spel staat. Niet zonder reden verklaarde België, toen het dit verdrag in juli 2001 ondertekende, dat de toepassing geen afbreuk mocht doen aan de grondwettelijke bepalingen die momenteel het taalgebruik in het koninkrijk regelen. Een ongenuanceerde toepassing zou immers de grondslagen zelf van het Belgische communautaire samenlevingsmodel opblazen, en allerlei moeizaam verworven evenwichten - en daarmee wellicht het land zelf - van de kaart vegen. Dat is een van de redenen waarom België dit verdrag tot dusver wel ondertekend, maar nog niet geratificeerd heeft. De andere reden is dat die ratificatie ook moet gebeuren door de gewesten en gemeenschappen, terwijl de Vlaamse regering al meer dan eens heeft verklaard dat van een ratificatie zo geen sprake kan zijn.
De hele Belgische politieke klasse wéét dat ratificatie dus hoegenaamd niet aan de orde is; ze te berde brengen is niet meer dan een doorzichtig maneuver. Dat allicht gemakkelijk doorprikt kan worden, wanneer de Vlaamse onderhandelaars aan hun tegenspelers zouden voorstellen elke discussie over het minderhedenverdrag uit te stellen tot het door Frankrijk is goedgekeurd...

 

 

Klik hier voor de PDF-versie van het 8ste manifest.