Institutioneel progressief


Waarom en hoezo verklaart de Gravensteengroep zichzelf ‘institutioneel progressief’?
In de geschiedenis van België ziet men (een paar uitzonderlijke fasen niet te na gesproken) de staat telkens weer nieuwe antwoorden verzinnen op Vlaamse eisen. De Waalse beweging en de Francofonie in het algemeen hebben telkens, met het volle gewicht van de gevestigde machten, gereageerd met zogenaamde ‘toegevingen’, die zo goed en zo kwaad als het ging, het bestel intact moesten houden. Ook vandaag nog zien Di Rupo en Magnette, maar ook de commentatoren van La Libre Belgique en Le Soir, de zesde staatshervorming als ‘toegeving’ – die nu eenmaal wegens al te grote Vlaamse druk moest gedaan worden; maar echt nodig was het allemaal niet, België zat immers goed in elkaar.

 

Unitarisme + federalisme = Belgisch confederalisme
Uiteraard is het resultaat telkens opnieuw een niet te ontwarren kluwen van compromis op compromis, waarin zoveel mogelijk ‘uitzonderingen’ worden voorzien (hallucinant staaltje hiervan zijn de regeringsteksten over de gradaties van vereiste kennis van het Nederlands bij de Brusselse pompiers). Het resultaat is dat de Belgische staatsstructuren die typische mix vertonen van niet uitgedoofd unitarisme, onvoldragen federalisme en aanstormend confederalisme op zijn Belgisch (de diplomatieke conferentie). Kenschetsend is bijvoorbeeld, dat met de zesde staatshervorming de binnengrens nog steeds niet vastligt, en dat een recensent de Gravensteengroep kan verwijten extremistisch te zijn omdat hij vasthoudt aan het principe van de territorialiteit.

Van het confederalisme hebben we inderdaad tot nog toe alleen de Belgicistische versie gezien die zichzelf graag ‘samenwerkingsfederalisme’ noemt in het kader van een veronderstelde, angelieke consensusdemocratie.

 

Sterft, gij oude vormen en gedachten
Dit alles wijst op het behoud omwille van het behoud. Ook nu weer komt er een golf van versnipperde bevoegdheden op de Vlaamse administratie af – telkens weer lijkt men te hopen dat deze verhakseling het voortbestaan van de Belgische staat zal garanderen. 

‘Institutioneel progressief zijn’ betekent dan dat we deze oude vormen en gedachten achter ons laten en radicaal gaan voor de minst bevoogdende, meest subsidiaire, meest basisdemocratische, en meest vrijheidsgaranderende staatsstructuur die ter beschikking staat, en die zelfs haalbaar is: namelijk het confederalisme in Vlaams autonomistische zin.