Paradoxaal kasteel

JEAN-PIERRE RONDAS

 

Vorige vrijdag is mijn dochter voor de wet getrouwd in het Gravensteen. Daar kijkt u misschien van op, maar in Gent is dat een optie. Wie daar voor de schepen van de Burgerlijke Stand wil verschijnen, hoeft niet altijd naar het Stadhuis te gaan. De schepen doet het ook op verplaatsing op een officieuze maar toch zeer ‘Gentse’ locatie, bijvoorbeeld in het Gravensteen. Als lid van de Gravensteengroep was ik daar niet weinig trots op. Een hoogst beminnelijke waterval van een schepenesse maakte van het voorlezen der echtelijke plichten een waar feest. Ik heb na de ceremonie toch nog eens rondgekeken in wat een Gentenaar nooit het Gravensteen noemt, maar enkel en alleen het Gravenkasteel. Tijdens mijn jeugd was dit kantelengewrocht, deze Krak der ridders, een onvermijdelijk onderdeel van wat een stad moest zijn. Een stad moest een Belfort hebben. Maar ook een Steen.

 

Paradoxaal kasteel! Suikerlade, donjon van hoogmoed, dwangburcht der stede! Veerleplein, o Pharaïlde! Hof der rechters, redding der gerechtelijke dwalingen op de Onthoofdingsbrug! Door een engel gestuurd, vliegt het zwaard uit het heft van de beul die straks de onschuldige vader wil onthalzen. Kasteel, zes eeuwen lang ingesloten en ingebouwd door de burgerij, onzichtbaar tenzij van boven. Dan nog eens honderd jaar door diezelfde burgerij uitgehold en weer opgevuld met katoenspinnerijen en stoomsmidses, tegelijk met bijbehorende ‘cité’, een beluik voor vijftig arbeidersgezinnen, kwestie van dicht bij ’t werk te wonen. Vrijgemaakt en romantisch gerestaureerd net voor de Eerste Wereldoorlog, en in die zin perfecte tijdgenoot van die andere stadsburcht, de Vooruit. Alle contradicties en omwentelingen ineen: het rad van de geschiedenis in een Steen. Teken van tegenspraak en zinbeeld van ’t verleden. Gestolde memorie. Versteende dialectiek.

 

De Gravensteengroep zou ook zonder naam kunnen, dachten we. Maar vanuit het huis waar we hem beraamden zagen we, aan het eind waar de Lieve in de slotgracht uitmondt, de donjon zich aftekenen tegen de lucht. Had de slagschaduw van het Steen ons verstand verbijsterd, zoals sommigen later leuk opmerkten? Allesbehalve, want er was geen schaduw, het was nacht. We kozen voor die naam, omdat het verleden zelf een provocatie is geworden. Zichzelf als actiegroep naar een zinbeeld van het verleden noemen – dat had Slangen ons beslist afgeraden. Maar ’t is waar: wat de groep overkwam, hoe men op de groep reageerde, spoorde perfect met de paradoxen in het Kasteel achter de zelfgekozen naam. Zoals te verwachten en te voorzien was. Hoe kan een progressieve groep zich nu achter een feodaal symbool verschuilen! Hoe durft een groep met een naam uit het Ancien Régime het aan, zich progressief te noemen! Hoe kan een progressief flamingant, een flamingant progressief zijn? Paradoxale Gravenkasteelgroep!

 

Het probleem met deze reacties is, dat een aantal schijnbare tegenspraken (paradoxen) constateren nog niet voldoende is om een serieuze dialectische redenering op te bouwen. Ik bedoel: een redenering die rekening houdt met de dialectiek van de geschiedenis (zoals je die bijvoorbeeld kan aflezen aan de historische lotgevallen van het Gravensteen). Stilstaan bij een paradox leidt nergens toe. Nochtans regent het vandaag paradoxen, vragend afgevuurd op progressieve flaminganten. De schutters zijn groepjes gedesillusioneerde restanten van het paarse project. Vertegenwoordigers van de liberaal-socialistische ontreddering. Zizek noemt ze liberaal-communisten. Telkens weer gaat het over de vermeende tegenstelling tussen ‘enggeestig nationalisme’ en solidariteit. Hoe is het mogelijk dat leden van de Gravensteengroep zich achter neoliberale slogans scharen? Hoe kan een veeltalig intellectueel voor taalwetten pleiten? Voor de zoveelste keer heeft er weer eens iemand het Vlaams nationalisme ontdekt, ontmaskerd, gedemystificeerd en gedemythificeerd, en tonnen paradoxen ontdekt – een eentonig verhaal waarmee sommigen hun boterham verdienen. Een verhaal waar de paradoxen heel snel verworden tot agressief verwoorde clichés.

 

Meestal wordt aan de geviseerde ‘nationalist’ gevraagd opheldering te geven bij de paradox die de vragensteller zo schijnt te kwellen. Ik zou zeggen: daar begin ik niet aan. Paradoxen oplossen is niet zo moeilijk. Zelfs de leugenparadox van de Kretenzer is een makkie. Los hem dus maar zelf op. En ga al eens een keertje naar ’t Gravenkasteel, daar zie je thesen, antithesen en synthesen in de metselverbanden. En hoe het kan verkeren.

 

(Verschenen als column in De Morgen op maandag 2 mei 2011)